In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad? Deze week zitten we in het eerste kwart van de 17e eeuw wanneer twee Leidse theologische tegenpolen het met elkaar aan de stok krijgen. Arminius en Gomarus dachten fundamenteel anders over de bijbels predestinatie, de voorbestemming, met als gevolg dat hun volgelingen op voet van oorlog met elkaar stonden. Een deel van het stadhuis, waar een Arminiaansgezind stadsbestuur zat, legde zelfs een verdedigingsschans aan. Tot echte gevechten kwam het niet, maar de tegenstellingen bleven wel bestaan. En bestaan nog steeds!
– door Joost Bleijie

Arminius
In het begin van de 17e eeuw stonden twee Leidse theologen centraal in een fel theologisch debat aan de Universiteit Leiden. Jacobus Arminius (1560-1609) werd in 1603 benoemd tot hoogleraar theologie in Leiden, terwijl Franciscus Gomarus (1563-1641) al enige tijd in Leiden doceerde. Arminius, afkomstig uit Oudewater, had zich aanvankelijk binnen de gereformeerde traditie gepositioneerd, maar begon zich steeds kritischer op te stellen ten aanzien van de klassieke calvinistische leer van de predestinatie. Dit is de voorbestemmingsleer ofwel het antwoord op de vraag of het lot van de mensheid door God al was bepaald of dat de mens daar zelf nog invloed op had. Was het zijn van een goed gelovige en het doen van goede zaken nog van invloed of stond het bij voorbaat al vast wie er tot de hemel werd toegelaten? Arminius was in deze discussie rekkelijk. Hij was van mening dat het geloof van mensen en het doen van goede werken weldegelijk invloed had op Gods keuze om een mens toe te laten tot de hemel. Gomarus daarentegen hing een meer orthodox-Calvinistische visie aan: Gods soevereiniteit en de onvoorwaardelijke verkiezing van de mens die tot de hemel mocht toetreden, los van enige menselijke verdienste of keuze. Het conflict escaleerde in publieke disputaties en stellingen. Zo publiceerde Arminius in februari 1604 zijn stellingen over predestinatie. Kort daarop gaf Gomarus op 31 oktober 1604 een eigen disputatie, waarin hij de leer van zijn opponent heftig bestreed. De controverse was niet louter academisch: zij had ook kerkelijke en politieke gevolgen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Leidse periode als brandpunt

Gomarus
De Leidse faculteit theologie vormde aan het begin van de 17e eeuw het decor van deze botsing tussen beide hoogleraren. Arminius’ benoeming in 1603 was al omstreden; Gomarus protesteerde hevig. Niet alleen tegen de komst van Arminius maar ook tegen de door hem aangehangen leer. De jaren 1603–1607 waren turbulent: binnen de universiteit, in de kerk en in de samenleving kwamen de partijen tegenover elkaar te staan. Arminius stierf in 1609, enigszins uitgeput door de spanningen, wat de situatie in Leiden echter niet meteen liet oplossen. Na de dood van Arminius bleef zijn gedachtengoed circuleren. In 1610 werd de zogeheten Remonstrantie ingediend door zijn aanhangers. Hierin stelden zij vijf artikelen op die afweken van de klassieke predestinatieleer die Gomarus en zijn volgelingen aanhingen. De aanhangers van Gomarus werden bekend als de Contraremonstranten en bleven uitgaan van de orthodox-gereformeerde leer. Een kerkelijke vergadering, ook wel Synode genoemd moest het conflict beslechten. Op 13 november 1618 ging in Dordrecht, Hollands oudste stad, de Synode van start. De contraremonstrantse standpunten, ofwel de standpunten van Gomarus werden daar officieel bekrachtigd en de remonstranten werden veroordeeld. Arminiaanse theologen en leraren werden uit hun ambt gezet, de positie van Gomarus en zijn aanhangers werd versterkt. De synode bracht wellicht rust in de kerk, op bestuurlijk niveau was de geest ook uit de fles. In Leiden zat rond 1615 een Arminiaansgezind stadsbestuur. Zij kwam steeds openlijker in conflict met de aanhangers van Gomarus. Arminius was toen al gestorven en Gomarus was al vertrokken. Eerst in 1611 naar Middelburg, daarna in 1615 naar het Franse Saumur. Het stadsbestuur van Leiden voelde zich zo aangevallen dat er in 1617 een schans werd opgetrokken op de Breestraat oom het stadhuis en het daarin zittende stadsbestuur te beschermen. Op oude prenten is te zien hoe dat eruit zag. Toch echte conflicten of gevechten kwam het gelukkig niet. Stadhouder Maurits’ leger brak de schans een jaar later weer af.
Definitieve breuk tussen de stadhouder en de raadspensionaris

Stadhouder Maurits
Na decennia van oorlog met Spanje leidde het Twaalfjarig Bestand (1609–1621) tot een adempauze. Raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt zag dit bestand als een kans om handel en welvaart te bevorderen, maar Maurits beschouwde het als een gevaarlijke verzwakking tegenover de vijand. Maurits vocht liever door. Hun meningsverschil kreeg echter een jaar na de start van het bestand een religieuze lading: Het theologische conflict tussen Arminius en Gomarus laaide over naar het landsbestuur. De remonstranten werden gesteund door Van Oldenbarnevelt en de contraremonstranten door Maurits. De spanning liep hoog op. Maurits koos openlijk partij voor de contraremonstranten en gebruikte zijn militaire macht om steden aan zijn kant te krijgen. Op last van Maurits moesten het Leidse Arminiaanse stadsbestuur plaatsmaken en werd de Arminiaanse schans in de Breestraat verwijderd. De escalatie kwam toen Maurits op 29 augustus 1618 Johan van Oldenbarnevelt, maar ook diens medestander, de Leidse jurist Hugo de Groot liet arresteren. Na een politiek proces – zonder echte kans op verdediging – werd Johan van Oldenbarnevelt op 12 mei 1619 ter dood veroordeeld. Een dag later werd het vonnis op het Binnenhof in Den Haag middels het zwaard van de beul voltrokken. De 71-jarige staatsman sprak daarbij zijn beroemde laatste woorden: “Maak het kort, maak het kort.” Hugo de Groot werd gevangen gezet op Slot Loevestein. Hij kreeg levenslang. Als bijzonder voorrecht mocht De Groot in gevangenschap doorstuderen. Hiervoor werd regelmatig een kist met boeken naar het kasteel gebracht. Door zich in een van de boekenkisten te verstoppen, kon De Groot uit gevangenschap ontsnappen. Hij sleet de rest van zijn leven in Parijs.

De onthoofding van Johan van Oldenbarnevelt
De dood van de Raadspensionaris markeerde het einde van een tijdperk. De Republiek bleef onafhankelijk, maar de scheiding tussen kerk en staat was voorgoed zichtbaar geworden. De twist tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt blijft een tragisch hoofdstuk in de Nederlandse geschiedenis, waarin idealen en belangen onvermijdelijk botsten. Een van de grootste staatsmannen die de Republiek heeft voortgebracht werd als een misdadiger onthoofd waarbij de Oranje in kwestie, Maurits, een dubieuze rol speelde. Nog in diezelfde eeuw zou dit scenario zich nog eens voltrekken. Johan de Witt, de grootste Nederlandse staatsman allertijden, werd op het Groene Zootje in Den Haag door een woedende menigte gelyncht. Het was het trieste dieptepunt tijdens het Rampjaar 1672. Ook hier speelde een Oranje, Willem III een dubieuze rol.
Theologische betekenis en herkenbaarheid vandaag
Het debat tussen Arminius en Gomarus gaat verder dan een bladzijde in de Nederlandse religiegeschiedenis; het raakt aan fundamentele kwesties: de verhouding tussen Gods soevereiniteit en menselijke vrijheid, de rol van geloof en genade, en de zekerheid van de zaligheid. Arminius legde de nadruk op geloof en menselijke respons binnen de ruimte van Gods genade. Gomarus benadrukte Gods volstrekte gezag en de onveranderlijke verkiezing. Dit verschil zou later regelmatig de kop doen opsteken. De Leidse periode van Arminius en Gomarus, vanaf de aanstelling van Arminius in 1603 tot het vertrek van Gomarus uit Leiden in 1611 illustreert hoe academische theologie verweven kan raken met kerkpolitiek en maatschappelijke spanningen: wat begon als een theologische disputatie, mondde uit in nationale religieuze crisis. Een crisis met verregaande gevolgen voor de nog jonge Republiek en haar uitmuntende raadspensionaris.



