In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad. Deze week nummer vier in de zevenluik over de toptijd van de universiteit Leiden. Arnold Vinnius is misschien niet direct iemand die een bel doet rinkelen. Toch was hij een van de topjuristen van de Leidse universiteit in de 17e eeuw.
In het 17e-eeuwse Leiden bloeide de rechtswetenschap in de Nederlanden. Leiden was het centrum hiervan. Studenten uit heel Europa trokken naar de universiteit om onderwijs te krijgen in o.m. het Romeinse recht, dat in veel Europese landen nog steeds de basis vormde van het juridische denken. Een van de meest invloedrijke figuren in dit intellectuele klimaat was Arnold Vinnius (1588-1657), een Leidse hoogleraar die het klassieke Romeinse recht toegankelijk maakte voor de juridische praktijk van zijn tijd.
Arnold Vinnius werd in 1588 geboren in Monster en begon al op jonge leeftijd met zijn studie rechten aan Universiteit Leiden. Hij schreef zich daar in 1603 in en promoveerde er in 1612. Zijn opleiding stond in het teken van het zogenoemde juridisch humanisme: een wetenschappelijke benadering die het Romeinse recht bestudeerde aan de hand van historische bronnen en filologische analyse. Na zijn studie gaf Vinnius eerst privaatonderwijs in Leiden. Dat deden wel meer hoogleraren. Die gaven in plaats van colleges in een grote collegezaal zoals we ze nu kennen, colleges aan huis. Tegelijkertijd werkte hij aan publicaties waarmee hij al snel naam maakte in de juridische wereld. In 1633 werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Leidse universiteit, waarna hij in 1636 een volwaardig professoraat kreeg. Hij zou deze functie meer dan twintig jaar bekleden. Vinnius was een ‘populaire’ hoogleraar die nationaal en internationaal de nodige studenten trok.
Romeins recht voor de praktijk
De grote betekenis van Vinnius ligt in zijn poging om het klassieke Romeinse recht te verbinden met de juridische praktijk van de 17e-eeuw. Waar middeleeuwse juristen vaak vooral commentaar leverden op afzonderlijke wetsartikelen, probeerde Vinnius een samenhangend en systematisch overzicht van het recht te maken. Een integrale benadering dus. Daarbij combineerde hij historische studie met aandacht voor concrete juridische vraagstukken. Zijn werk sloot aan bij de ontwikkeling van het zogenoemde Rooms-Hollandse recht: een rechtscultuur waarin Romeinse regels werden toegepast en aangepast aan de omstandigheden van de Nederlandse Republiek. In zijn commentaren probeerde hij bijvoorbeeld te laten zien hoe Romeinse rechtsregels konden functioneren binnen het Hollandse rechtssysteem. Hierdoor kregen rechters en juristen praktische handvatten voor hun dagelijkse werk. De invloed van Vinnius was groot. Zijn boeken werden niet alleen in de Republiek gelezen, maar ook in andere Europese landen en zelfs tot in de negentiende eeuw herdrukt. Daarmee werd hij een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nederlandse rechtsgeleerdheid van zijn tijd.
Een invloedrijk standaardwerk
Het bekendste werk van Vinnius is zijn commentaar op de Instituten van keizer Justinianus: In quattuor libros Institutionum imperialium commentarius. Dit boek verscheen in 1642 en groeide uit tot een van de meest gebruikte leerboeken in de Europese rechtswetenschap. In dit werk combineerde Vinnius drie elementen: de oorspronkelijke tekst van de Romeinse wetgeving, korte verklarende notities en een uitgebreid commentaar waarin hij de regels interpreteerde en toepaste op hedendaagse juridische problemen. Door deze systematische opzet werd het boek zowel een academisch handboek als een praktische gids voor juristen. Ook de lokale rechtspraak in Leiden maakte gebruik van dit voor Vinnius geschreven boek. Daarnaast publiceerde hij andere belangrijke werken, zoals Jurisprudentiae contractae sive partitionum iuris civilis libri IV (1624) en Selectarum juris quaestionum (1653). Samen vormden deze publicaties een uitgebreid overzicht van het burgerlijk recht, met speciale aandacht voor onderwerpen als contracten, rechtsmacht en erfenissen.
Sporen van Vinnius in Leiden
Hoewel Vinnius bijna vier eeuwen geleden overleed (hij overleed in 1657), zijn in Leiden nog steeds sporen van zijn aanwezigheid te vinden. Het belangrijkste daarvan is natuurlijk de juridische faculteit van de universiteit waar hij doceerde. De traditie van onderzoek naar het Romeinse recht, waaraan Vinnius een belangrijke bijdrage leverde, vormt nog steeds een belangrijk onderdeel van de Leidse rechtsgeschiedenis èn van de studie rechten. Ook in historische portrettencollecties van de universiteit en in musea is zijn beeltenis bewaard gebleven. Een bekende prent toont hem op 49-jarige leeftijd, met de spreuk “Virtutis laus omnis in actione consistit” – “Alle lof van de deugd ligt in het handelen.”. Dit portret is nog steeds in het bezit van de Universiteit Leiden. Daarnaast leeft zijn naam voort in de geschiedenis van de Leidse rechtenfaculteit, waar hij samen met andere beroemde juristen uit de zeventiende eeuw het fundament legde voor een internationaal gerenommeerde juridische opleiding. En natuurlijk een beetje op ’t Gerecht, de plek waar de strafvonnissen vroeger werden geveld. Het werk van Vinnius gold in de 17e eeuw als standaardwerk. Veel steden gebruikten het bij de rechtspraak in de praktijk.



