In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad. Deze week nummer zes in het zevenluik over de universiteit Leiden in de 17e eeuw: de eerste toptijd die de universiteit doormaakte. Deze week staat Johannes Coccejus (1603 – 1669) centraal, de man die, wellicht ongewild, onderdeel werd van een tweede, hoogoplopende theologische ruzie. Halverwege de 17e eeuw kreeg Coccejus het aan de godsdienstige stok met zijn Utrechtse collega Voetius (1589-1667). Ook dit conflict het verregaande gevolgen voor de samenleving en de leidende Gereformeerde Kerk in het bijzonder.

Gravure van de in 1617 in de Breestraat opgetrokken Arminiaanse Schans die het stadsbestuur moest beschermen tegen de volgelingen van Gomarus
Aan het begin van de 17e eeuw verdeelde een geloofsruzie niet alleen de stad Leiden, maar ook de nog jonge Republiek de Verenigde Nederlanden. Theologen Arminius en Gomarus kregen het met elkaar aan de stok over de zogenaamde predestinatieleer. Ofwel kon je door het doen van goede werken en het zijn van een goed Christen met een persoonlijke band met God naar de hemel of had God van te voren al bepaald wie er naar de hemel zouden gaan en deed het aardse leven er niet meer toe? Arminius hing de eerste theorie aan, Gomarus de tweede. In 1617 resulteerde dit in de Arminiaanse Schans aan de Breestraat. Het Arminiaanse stadsbestuur had zich achter de muren van het Stadhuis en achter de muren van een in de Brestraat gebouwde schans verschanst. De Gomaristen trokken op richting de schans maar werden op het laatste moment geholpen door Stadhouder Maurits. De twist had zich toe al verspreid over de hele Republiek. De Arminianen (rekkelijken, reformatie) stonden tegenover de Gomaristen (preciezen, contrareformatie) waarbij raadspensionaris (zeg maar premier) Johan van Oldenbarnevelt zich solidair verklaarde met de Arminianen en Stadhouder Maurits met de Gomaristen. Maurits ‘won’ dit conflict zowel in leiden als in de Republiek. De schans op de Breestraat werd neergehaald en op 13 mei 1619 werd Van Oldenbarnevelt op het plein in Den Haag onthoofd. Een Leids religieus conflict had zodoende landelijke gevolgen. Het bleef echter niet bij dit ene conflict.

Johannes Coccejus
Halverwege de 17e eeuw ontbrandde er een tweede theologisch conflict dat de grenzen van de universiteit en van Leiden ver overschreed. In het middelpunt stond de Leidse theoloog Johannes Coccejus, een vernieuwend denker die vanaf 1650 verbonden was aan de Universiteit Leiden. Zijn tijd in Leiden markeert een periode waarin bijbeluitleg, geloofspraktijk en academische vrijheid intens met elkaar botsten. Coccejus was geen doorsnee theoloog. Waar veel van zijn tijdgenoten de Bijbel lazen als een vaststaand systeem van waarheden, zag hij de Bijbel als een historisch verhaal dat zich in de tijd ontvouwt. Zijn interpretatie draaide om de zogenoemde verbondstheologie: het idee dat God door de geschiedenis heen verschillende verbonden sluit met de mens. Die verbonden zijn terug te lezen in de Bijbel in zowel het Oude Testament tot het Nieuwe. Coccejus’ benadering gaf ruimte voor ontwikkeling en nuance. De Bijbel hoefde volgens Coccejus niet meer van kaft-tot-kaft als statisch en waar te worden aangenomen. Het was voor meerdere interpretaties vatbaar.
Coccejus brak met de meer statische, scholastieke manier van denken die dominant was in de gereformeerde kerk in de 17e eeuw. Het was gangbaar om de Bijbel als volledig juist aan te nemen. Juist die vernieuwingsdrang van Coccejus bracht hem in conflict met Gisbertus Voetius, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Voetius was een verdediger van de orthodoxe interpretatie van de Bijbel en zag in Coccejus’ ideeën een bedreiging voor de zuiverheid van het geloof. Het conflict tussen beide theologen ging over meer dan alleen interpretatie; het draaide om de vraag hoe flexibel de gereformeerde leer mocht zijn. Moest je alles klakkeloos aannemen om was de Bijbel multi-interpretabel?
Een van de bekendste twistpunten tussen Coccejus en Voetius was de Zondagsrust. Hoe verrassend actueel is deze nog steeds in de lokale en nationale politieke arena’s. In de Bijbel wordt veel geschreven over ‘het eren van de Sabbat’. In het tweede Bijbelboek Exodus staat in hoofdstuk 20 vers 8 tot 12 het volgende:
“Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die.”

Gisbertus Voetius
Het heiligen van de Sabbat, de zondagsrust is een van de 10 geboden die Mozes aan het volk Israël meedeelde. Geboden die hij van God had ontvangen. Coccejus stelde dat het sabbatsgebod een historisch karakter had en niet letterlijk gold voor christenen. Christenen zijn immers geen Joden en horen dus niet tot het volk Israël. Bovendien valt de Sabbat van de Joden op zaterdag en niet op zondag. Coccejus stelde dus een gerechtvaardigde vraag over het eren van de Sabbat voor niet Joden. Volgens hem moest de zondag niet worden gezien als een strikt opgelegde rustdag met gedetailleerde regels. Voetius daarentegen hield vast aan een strenge naleving van de zondag, als essentieel onderdeel van een godvruchtig leven. Voor hem was elke versoepeling een gevaarlijke stap richting moreel verval. Deze tegenstelling werd gaandeweg de tijd erger en groter.
Dit debat had grote gevolgen, niet alleen in de academische wereld in Leiden en Utrecht, maar ook in het dagelijks leven van de gewone man. Leiden werd een bolwerk van het zogenoemde coccejanisme, terwijl Utrecht het centrum bleef van het voetianisme. Studenten, predikanten en bestuurders kozen partij, waardoor de samenleving net als 50 jaar eerder bij Arminius en Gomarus, verdeeld raakte in rekkelijken (Coccejus) en preciezen (Voetius). De discussie sijpelde door tot in de kerken en zelfs in de huiskamers, waar men zich afvroeg hoe strikt men de zondag moest naleven en hoe de Bijbel moest worden gelezen. Maar het ging verder. De Gereformeerde Kerk wist zich geen raad met deze theologische tegenstelling met een kerkscheuring als gevolg. Tot ver in de 18e eeuw heeft de scheiding tussen Coccejanen en Voetianen in de kerk gespeeld. En deze theologische tegenstelling speelt tot op de dag van vandaag nog steeds. Nog steeds zijn er in de Portestante Kerk verschillende lezingen en interpretaties over de zondagsrust.
Voor Leiden betekende de aanwezigheid van Coccejus een versterking van haar reputatie als vrijzinnig en intellectueel vooruitstrevend centrum. Op het blazoen van de Universiteit staat ‘Bolwerk van Vrijheid’. Hier had je net iets meer vrijheid dan elders in de Republiek èn in Europa. Coccejus gebruikte deze (wetenschappelijke) vrijheid door twijfels te zetten bij de Sabbatsleer.

Rapenburg 70
Zijn colleges trokken studenten uit binnen- en buitenland, en zijn ideeën droegen bij aan een klimaat waarin debat en interpretatie ruimte kregen. Tegelijk zorgde de controverse ook voor spanningen binnen de universiteit en de stedelijke gemeenschap. Het conflict tussen Coccejus en Voetius laat zien hoe diep theologische verschillen kunnen ingrijpen in samenleving en wetenschap. Dat was al aan het licht gekomen tijdens de twist tussen Arminius en Gomarus, maar ook 50 jaar later leidde het tot bloei van intellectueel debat, maar ook tot verdeeldheid. In de bredere Republiek weerspiegelde het de spanning tussen traditie en vernieuwing – een spanning die tot op de dag van vandaag herkenbaar is.
Wie vandaag door Leiden wandelt, kan nog altijd sporen vinden van Coccejus’ leven. Hij werkte aan de Universiteit Leiden, waar hij colleges gaf in de theologie en zijn invloed uitoefende op generaties studenten. Hij woonde in de binnenstad, vermoedelijk in de buurt van het academische centrum rond het Academiegebouw, waar veel hoogleraren hun huizen hadden. Zijn werk en geschriften liggen nog altijd in de Universiteitsbibliotheek die tot 1983 in Rapenburg 70 gevestigd was. Thans liggen ze in de nieuwe UB aan de Witte Singel. Coccejus stierf in 1669 in Leiden. Het meest tastbare spoor van Coccejus is dan ook te vinden in de Pieterskerk waar zijn graf is. Deze imposante kerk, waar veel vooraanstaande Leidenaars hun laatste rustplaats vonden, herbergt ook het grafmonument van Coccejus. Het vormt een stille herinnering aan een man wiens ideeën ooit tot verhitte discussies leidden.



