In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad. Eva van Hoogeveen was nooit getrouwd geweest maar leidde een ongehuwd, onafhankelijk leven. In 1650 werd het naar haar genoemde hofje aan de Doelensteeg gesticht: een bijzondere vorm van liefdadigheid, anders dan gewoon was in die tijd gesticht door een vrouw.
In het stille netwerk van Leidse hofjes neemt het Eva van Hoogeveenshofje een bijzondere plaats in. Niet alleen omdat het is gesticht door een vrouw, maar ook omdat die vrouw bewust koos voor een leven van vroomheid en ongehuwde onafhankelijkheid. Eva van Hoogeveen wist haar fortuin om te zetten in een zorgvuldig gereguleerde vorm van zorg voor anderen. Haar hofje vertelt daarmee een verhaal over geloof, vrouwelijke autonomie en liefdadigheid in het vroegmoderne Leiden van de 17e eeuw.
Eva van Hoogeveen leefde in de zeventiende eeuw, een tijd waarin het voor vrouwen ongebruikelijk was om zelfstandig over vermogen te beschikken, laat staan om daarmee een instelling te stichten. Zij bleef ongehuwd en werd in bronnen aangeduid als een vrome en kuise maagd, een term die in die tijd niet alleen moreel, maar ook sociaal gewicht had. Ongehuwd blijven betekende dat haar vermogen niet automatisch onder het beheer van een echtgenoot viel. Dat gaf haar, binnen de beperkingen van haar tijd, een opvallend grote mate van zeggenschap. Haar fortuin verwierf Eva van Hoogeveen waarschijnlijk via familiebezit en erfenissen. Zoals bij meer ongehuwde vrouwen uit gegoede kringen kwam het vermogen voort uit een combinatie van zorgvuldig beheer, rente-inkomsten en het ontbreken van directe erfgenamen. Wat zij vooral níet deed, was haar bezit laten opgaan in het vermogen van mannelijke verwanten. In plaats daarvan koos zij voor een bestemming die haar religieuze overtuiging weerspiegelde: zorg voor arme vrouwen die, net als zijzelf, alleenstaand waren.
In haar testament legde Eva van Hoogeveen nauwkeurig vast dat er na haar overlijden een hofje moest worden gesticht. Dat gebeurde in 1653, kort na haar dood in 1652, door een broer en een neef die beiden Gerrit heetten. Het hofje was bedoeld voor arme, ongehuwde vrouwen van goede naam en faam. De bewoners moesten een godvruchtige levenswandel hebben en zich houden aan strikte regels van orde en zedelijkheid. Daarmee sloot het hofje naadloos aan bij Eva’s eigen levensideaal: kuisheid, discipline en religieuze toewijding. Het testament fungeerde als het hart van het hofje. Daarin stond niet alleen wie er mochten wonen, maar ook hoe het beheer geregeld moest worden en welke voorzieningen de bewoonsters kregen. Tot die voorzieningen behoorden vaste preuven, uitdelingen in geld of goederen die het dagelijks leven draaglijk maakten. Een bekend detail is de jaarlijkse kerstuitdeling van overhemden. Dat was geen willekeurig geschenk, maar een vaste bepaling in de regeling. Kleding was kostbaar en symboliseerde waardigheid; juist met Kerstmis kreeg deze gift een extra religieuze betekenis. Eva van Hoogeveen vond dat de bewoners van het hofje met schone kleding en dus een schoon overhemd het kersfeest moesten vieren.
Het toezicht op het hofje lag in handen van regenten, die erop toezagen dat Eva van Hoogeveens wil werd nageleefd. Zij controleerden de financiën, keurden nieuwe bewoners goed en hielden toezicht op gedrag en naleving van de regels. Zo bleef de stem van de stichteres, hoewel overleden, aanwezig in het dagelijks leven van het hofje. Het was haar manier om blijvend invloed uit te oefenen, zonder zelf ooit moeder of echtgenote te zijn geweest. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het college van Regenten vooral bezig was met het (bouwkundig) in stand houden van het hofje dan met de omstandigheden van de bewoonsters. Het college van Regenten bestaat tot op de dag van vandaag nog steeds.
Een leuk weetje is dat het hofje door de eeuwen heen bekendstond om zijn ordelijkheid. In verhalen uit later tijd wordt verteld dat het er opvallend stil en netjes was, juist omdat de bewoners wisten dat hun verblijf afhankelijk was van goed gedrag. Een kleine overtreding kon gevolgen hebben voor hun preuven, iets wat het hofje een bijna kloosterachtige reputatie gaf. Dat past bij het beeld van Eva van Hoogeveen zelf, die haar leven had ingericht rond ingetogenheid en morele discipline. Het verloop in het Eva van Hoogeveenshofje was opvallen laag. De dames die er mochten wonen, woonden er in vergelijking met andere hofjes relatief lang. In de 17e eeuw was het hofje al populair om in te wonen. Er zijn bewoonsters geweest die zichzelf via een enthousiaste brief aanboden als nieuwe bewoonsters.
Het Eva van Hoogeveenhofje is meer dan een verzameling huisjes rond een tuin. Het is een monument voor een vrouw die haar geloof en zelfstandigheid wist te vertalen naar blijvende zorg voor anderen. In een samenleving waarin vrouwen vaak op de achtergrond bleven, wist Eva van Hoogeveen haar naam en idealen in steen, regels en rituelen vast te leggen. Haar hofje herinnert eraan dat liefdadigheid in de vroegmoderne tijd ook een vorm van zelfbeschikking kon zijn. En de naam van Eva van Hoogeveen is tot in lengte van dagen bekend in Leiden: werp maar eens een blik op de poort in de Doelensteeg; inderdaad, daar staat nog steeds pontificaal de naam van Eva van Hoogeveen, de kuise maagd aan wie Leiden dit prachtige hofje te danken heeft.
===
Literatuur:
- Regenten en kuise maagden. 350 jaar Eva van Hoogeveenshofje (2007) – Frits Boersma e.a.
- Alle Leidse Hofjes. (2011) – Ruud Spruit
- Door de gangen en poorten naar de Leidse Hofjes (1997) – Ine Leermakers e.a.
- Wonen om Gods wille in Leidse Hofjes (2007) – Ine Leermakers e.a.
- Hofjes in Leiden (1979) – Herman Kleibrink en Ruud Spruit



