Franciscus Sylvius; hoogleraar, laborant, arts en jeneverstoker. 

Franciscus Sylvius; hoogleraar, laborant, arts en jeneverstoker. 

In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad. Deze week nummer drie in de zevenluik over de toptijd van de universiteit Leiden: Franciscus Sylvius. Grondlegger van het eerste laboratorium van Europa en misschien wel de ‘uitvinder’ van jenever en gin.  

Franciscus de le Boë Sylvius

In de zeventiende eeuw groeide de Republiek der Nederlanden uit tot een centrum van handel, wetenschap en medische vernieuwing. Midden in die bruisende wereld werkte een man die zowel de geneeskunde als – volgens een hardnekkige overleveringen – de drankcultuur blijvend zou beïnvloeden: Franciscus Sylvius. Sylvius werd in 1614 geboren in het Duitse Hanau, maar maakte carrière in de Republiek. Na studies in onder meer Sedan en Leiden vestigde hij zich definitief in Leiden. In 1658 werd hij benoemd tot hoogleraar geneeskunde aan de Universiteit Leiden, destijds een van de belangrijkste kenniscentra van Europa. Studenten uit heel het continent kwamen naar Leiden om colleges te volgen over anatomie, fysiologie en de nieuwste ideeën over het menselijk lichaam. 

De 17e eeuw was een tijd waarin oude medische theorieën zoals de humorenleer steeds vaker ter discussie werden gesteld. De Humorenleer is een oude medische theorie uit de Klassieke Oudheid. Volgens deze leer wordt de gezondheid van een mens bepaald door de balans tussen vier lichaamsvloeistoffen (humores) namelijk bloed, gele gal, zwarte gal en slijm. Wanneer die in evenwicht zijn, ben je gezond; wanneer één overheerst, kun je ziek worden. Sylvius brak met deze gedachte en was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de zogeheten iatrochemie: een vernieuwende stroming die ziekte en gezondheid probeerde te verklaren met behulp van chemische processen in het lichaam. In plaats van te denken in termen van ‘sappen’ en temperamenten, keek hij naar zuren, basen en fermentatie. Het lichaam, zo stelde hij, functioneerde als een soort chemisch laboratorium. Bestond er een chemisch evenwicht dan was iemand in goede staat, was het evenwicht weg dan doemden er problemen op. Deze vernieuwende benadering sloot perfect aan bij de intellectuele sfeer in Leiden, waar experiment en observatie steeds belangrijker werden. Sylvius stond bekend als een inspirerend docent die theorie en praktijk met elkaar wist te verbinden. Hij nam zijn studenten niet alleen mee naar het anatomisch theater, maar ook naar een plek die revolutionair was voor het medisch onderwijs: Het door hem in zijn eigen woonhuis opgerichte chemische Laboratorium. Het was geen weggestopt hokje in de marge van Sylvius’ woonhuis aan het Rapenburg (nr 31), maar een serieuze onderwijsruimte waar studenten leerden experimenteren. In dit laboratorium voerden studenten onder begeleiding proeven uit met destillatie, verbranding en het mengen van stoffen. Ze onderzochten hoe bepaalde verbindingen reageerden en hoe geneesmiddelen bereid konden worden. Het was een fundamentele beuk met de bestaande wetenschappelijke standaarden van die tijd: geneeskunde werd niet langer uitsluitend onderwezen via boeken en disputen, maar ook via praktische experimenten. Via zelf doen en zelf ondervinden.  

Rapenburg 31, het woonhuis van Sylvius waar het laboratorium werd gevestigd

Het laboratorium aan het Rapenburg 31 kan worden gezien als een voorloper van het moderne onderwijs in biochemie en farmacologie. Sylvius maakte chemie tot een essentieel onderdeel van de medische opleiding. Zijn aanpak beïnvloedde generaties artsen en droeg bij aan de reputatie van Leiden als toonaangevend wetenschappelijk centrum. Studenten en wetenschappers kwamen uit heel Europa naar Leiden om te kijken hoe wetenschap in de praktijk werd gebracht.  

Naast zijn wetenschappelijke werk is Sylvius ook verbonden met een ander verhaal: dat van de jenever, en indirect de gin. Volgens een overlevering zou hij een jeneverbessendistillaat hebben ontwikkeld als medicijn tegen maag- en nierklachten. Door alcohol te mengen met jeneverbessen en andere kruiden ontstond een drank die zowel geneeskrachtig als smaakvol was. Dit geneesmiddel werd in Leiden en ver daarbuiten populair als genotsmiddel. Aan deze ‘uitvinding’ van Sylvius, of moeten we zeggen; restproduct, hebben we de Genever en Jenever te danken. En de Gin. Historisch gezien ligt de oorsprong van jenever waarschijnlijk complexer en gaat die verder terug dan Sylvius alleen. Toch speelde hij een belangrijke rol in de verspreiding en popularisering van gedistilleerde dranken met medicinale reputatie. Nederlandse jenever vond in de zeventiende eeuw zijn weg naar Engeland, onder meer via soldaten tijdens oorlogen op het continent. Daar ontwikkelde de drank zich uiteindelijk tot gin, die in de achttiende eeuw een ware rage zou worden. 

De twee grote wetenschappers die op Rapenburg 31 woonden worden op een bordje aan de gevel genoemd.

Franciscus Sylvius overleed in 1672, maar zijn invloed bleef voelbaar. Hij hielp de geneeskunde los te maken van middeleeuwse denkbeelden en zette chemisch experiment centraal in het medisch onderwijs. Het laboratorium aan het Rapenburg 31 symboliseert die overgang naar een nieuwe, empirische wetenschap. Van het Laboratorium is nauwelijks meer iets te zien. Op de gevel van Rapenburg 31 zijn twee namen van twee hoogleraren te lezen. Op het kleine schildje naast de deur is de naam van de grondlegger van het Laboratorium te lezen: Sylvius. Op de witte muur de andere: Boerhaave. Ook hij woonde op Rapenburg 31 en ook hij zou een hele belangrijke rol spelen in de wetenschap èn in de praktische kant van de wetenschap. Maar daarover later meer.  

===

Literatuur

  • Groepsportret met Dame deel  I – Het bolwerk van vrijheid; De Leidse universiteit 1575-1672 – Willem Otterspeer (2000)
  • Van Albinusdreef tot Zeemanlaan. Een wetenschappelijke wandeling langs Leidse straten, gebouwen, musea en instituten – Jos van den Broek (2005)
Deel dit bericht:
Facebook
Twitter
LinkedIn
Pinterest
Telegram