In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad. Deze week aandacht voor een prostitué die haar eigen huis cq bordeel kon kopen en bekend stond onder de naam Het Groene Haasje, haar echte naam is onbekend.
In het hart van Leiden, langs een smalle gracht met een geschiedenis net zo kleurrijk als zijn naam, staat een van de kleinste en charmantste huisjes van de stad: Groenhazengracht 3. Tegenwoordig oogt het als een pittoresk pandje, geliefd op Instagram en toeristische wandelroutes. Maar achter de opvallende gevel schuilt een verhaal uit vervlogen tijden. Uit de tijd dat Leiden met zo’n 60.000 inwoners de tweede stad van Holland was. Uit de tijd dat de handel maar in Leiden vooral de textielnijverheid groeide en van Leiden een enorm welvarende stad maakte. Uit de tijd dat Leiden bijzonder in trek was bij mensen van buitenaf en de tijd dat er een aanzienlijk leger in Leiden gestationeerd was om de stad te beschermen (in de winter) en oorlog te voeren elders (in de zomer). Ofwel een verhaal uit de Hollandse Gouden Eeuw, een tijd waarin handel, wetenschap floreerden maar waarin mensen ook, net als nu, bepaalde behoeften hadden.
Wie was het Groene Haasje?
De bijna mythische figuur van het Groene Haasje was een prostituée of bordeelhoudster die in de zeventiende eeuw woonde en werkte aan de Groenhazengracht in Leiden. Haar naam leeft voort in de naam van de gracht zelf. Het huis waar zij gevestigd was — vooral bekend als Groenhazengracht 3 — hoorde bij een buurt die toen bekend stond als Leidens Rosse Buurt. De term haasje werd in die tijd wel gebruikt om te verwijzen naar een prostituée; het was geen officiële naam, maar een volksbenaming. Zou het iets te maken kunnen hebben met het huidige volkse gezegde: wippen als konijnen? Het groene in Groene Haasje kan duiden op een opvallend kledingstuk of iets anders groens in het uiterlijk van deze dame. In die tijd kregen mensen wel vaker bijnamen op basis van een uiterlijk kenmerk. Tegenwoordig zou dat niet meer door de woke-molen heen komen, maar toen was het heel normaal. Was er niet een graaf van Holland die luisterde naar de naam Floris de Vette? Ook ‘schele’, ‘haakneus’, ‘hinkepoot’ en ‘roskop’ kwamen veelvuldig voor. Het groen in Groene Haasje stak hierbij nog netjes af. Helaas ontbreken exacte archiefnotities over haar echte voornaam of afkomst.
Waar woonde en werkte ze?
De Groenhazengracht was in de 17e eeuw een levendige, maar niet prestigieuze gracht in Leiden. Deze gracht maakte deel uit van een deel van de stad dat al sinds de middeleeuwen bekend stond als een gebied waar publieke vrouwen werkten. Op oude stadsplattegronden en in archieven duikt de naam op van de gracht – de enige in Nederland die vrijwel zeker genoemd is naar een vrouwelijke prostitué. Of sekswerker zo u wilt. Het huis waar het Groene Haasje haar beroep uitoefende stond dicht bij de Doelenpoort. Deze poort gaf toegang tot het oefenterrein van de lokale schuttersgilden. Het was een plek waar studenten, kooplieden van de markt en reizigers uit het omliggende platteland vaak langs kwamen. Er waren dus veel vreemdelingen met een vraag naar betaalde intimiteit. En zoals de economische wetmatigheid luidt: waar vraag is, is ook aanbod. De Groenhazengracht was dus de ‘Red Light District’ van Leiden waar vraag en aanbod elkaar bereikten.

Bordeelscene – Frans van Mieris de Oude – Collectie Mauritshuis Den Haag.jpg
Prostitutie in 17e-eeuws Leiden
Prostitutie in Leiden rond 1600–1700 was geen verborgen onderwereld — het was nadrukkelijk aanwezig en geïntegreerd in het stedelijk leven. Daarmee was het nog geen algemeen geaccepteerd verschijnsel. In veel Nederlandse steden werden publieke vrouwen gedoogd in specifieke buurten, zodat hun activiteiten zichtbaar maar ook gereguleerd konden blijven. Leiden was daarop geen uitzondering. In de middeleeuwen en tot ver in de vroegmoderne tijd concentreerden sekswerkers zich rond bepaalde grachten en stegen. Het was een vorm van vroege stedelijke planning waarvan de Wallen in Amsterdam ook een voorbeeld zijn.
Hoewel de protestantse kerk en burgerlijke moraal streng konden zijn, hadden steden als Leiden vaak een pragmatische houding: men wist dat het beroep bestond, en het was beter het in een bepaalde ruimte te ‘plaatsen’ dan het volledig te verbieden. In feite kenden veel steden in de Republiek een gedoogbeleid dat sekswerk op bepaalde plekken toestond — net buiten de meest respectabele woonstraten, maar dicht genoeg bij markten en uitgaansplekken om deel uit te maken van het stedelijk netwerk. De Groenhazengracht is hier een voorbeeld van. Het in sommige kringen zo bewierookte gedogen van prostitutie, maar ook van softdrugs is dus al veel ouder dan gedacht. In de 17e eeuw was het al een gewoongoed in de Republiek.

Crispijn van de Passe, ‘De verloren zoon weggejaagd bij de hoeren’, naar Maerten de Vos, 1580-1588. Bron: Rijksmuseum
Een historische erfenis
Vandaag de dag is het huisje aan de Groenhazengracht een geliefd fotomoment voor bezoekers van Leiden. Het is een klein, charmant huisje met pastelroze gevel, maar met een grote geschiedenis. Voor nu is het een hoogtepunt tijdens een historische wandeling die bezoekers van Leiden maken, toen vormde de Groenhazengracht een heel ander hoogtepunt voor bezoekers en soldaten die vaan ver van huis, haard en moeders de vrouw verwijderd waren. Maar het is meer: De Groenhazengracht is een voorbeeld van het oer-Hollandse gedoogbeleid dat dus veel ouder is dan wel eens wordt aangenomen.



