In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad? Deze week zitten we in de eerste helft van de 17e eeuw; de Hollandse Gouden Eeuw. De opgebloeide Textielnijverheid en de groei van de Universiteit brachten economische voorspoed. In het kielzog hiervan steeg een groep Leidse fijnschilders tot ongekende hoogten. Rembrandt van Rijn is zonder twijfel de bekendste van deze fijnschilders, maar er waren er meer. Deze week staan de Leidse fijnschilders uit de eerste helft van de 17e eeuw centraal.

Vanitas met portret van een jonge schilder – David Baily, collectie Stedelijk museum De Lakenhal Leiden
De bloeiende economie van Leiden en de aanwezigheid van de jonge maar florerende universiteit had als gevolg dat de vraag naar kunstwerken toenam. De Leidenaren werden steeds welvarender en dus was er steeds meer vraag naar schilderijen om de muren van de Leidse huizen mee te verfraaien. Schilderijen waren de foto’s van de 17e eeuw. Schilders die historische- of Bijbelse taferelen schilderden stonden het hoogst in aanzien. Daarna volgden portretschilders, landschapsschilders en schilders van stillevens. Een meester van het maken van stillevens was de in 1584 in Leiden geboren David Baily. Schilderen had hij niet van een vreemde aangezien zijn vader ook schilder was. Na omzwervingen in het buitenland vestigde Baily zich in 1613 in Leiden. Hij schilderde vooral portretten met name van geleerden zoals Vossius. Wellicht dat zijn vader, die eveneens in dienst van de universiteit was, collega’s naar zijn zoon doorverwees? Portretten waren vooral populair bij de groeiende middenklasse in Leiden. Er waren steeds meer Leidenaren, mede onder invloed van de textielhausse en de economische voorspoed, die vermogend geworden waren. Zij hadden dus het nodige geld te besteden voor het verfraaien van hun huis. Deze middenklasse was vooral werkzaam in de ambachten zoals bakkers, timmerlui en bierbrouwers. David Baily was een van die hier op insprong en zijn brood verdiende met het maken van schilderijen. De genoemde ambachten hadden in Leiden aan het begin van de 17e eeuw nagenoeg allemaal een gilde. Gek genoeg hadden schilders dat niet. Er was dus niemand die de belangen van schilders behartigde en toezag op de kwaliteit van schilderwerken. Er was niemand die controleerde of leerlingen de meesterproef adequaat hadden afgelegd. In 1648 kwam daar verandering in. Het was David Baily die samen met tijdgenoten Gerrit Dou en Jan Steen het St. Lucasgilde oprichtte. Een gilde speciaal bedoeld voor (fijn)schilders uit die tijd. Met Dou en Steen hebben we meteen twee roemruchte tijdgenoten van Baily te pakken.

Gedenksteen Gerrit Dou in de gevel van Kort Rapenburg 12
Gerrit Dou werd op 7 april 1613 net als Baily in Leiden geboren. Het geboortehuis van Dou is te vinden aan het Kort Rapenburg. Je moet goed kijken maar bij nummer 12 zit nog een steen in de muur gemetseld waarop inderdaad staat dat Gerrit Dou hier geboren is. Dou, die een atelier had aan het huidige Galgenwater, zou uitgroeien tot een meester van de details. Naar het schijnt had hij honderden kwasten in bezit waarvan sommige maar een aantal haren telden waarmee Dou de kleinste details kon schilderen. Modellen klaagden wel eens dat ze bij Dou lang in houding moesten zitten. Soms duurde dat wel vijf dagen waarna Dou slechts een deel van het lichaam van een model geschilderd had. Dou had het oog voor detail niet van een vreemde: op 14 februari 1628 ging hij namelijk in de leer bij niemand minder dan Rembrandt van Rijn. Hij was Rembrandts eerste leerling. Gerrit Dou produceerde, wellicht mede vanwege het getailleerde en dus tijdrovende werk dat hij maakte, relatief weinig schilderijen. Zij werk was wel enorm populair. In zijn tijd al werden de werken van Dou tentoongesteld. Mensen die van heinde en verre kwamen, stonden in de rij om de werken van Dou te bekijken. De in 1665 door Leidenaar en Verzamelaar De Bey georganiseerde tentoonstelling van Dou’s werk is de boeken ingegaan als de eerste publiekstentoonstelling in de Nederlanden. Europese vorstenhuizen vochten om het eerste recht van koop van Dou’s werk. Ze waren bereid om enorme bedragen neer te leggen voor een werk van deze Leidse meester. Het was dus ook niet zo gek dat Dou een bijzonder grote erfenis achterliet naar verluidt van ruim 15.000 gulden. Een astronomisch bedrag in die tijd.

Stoeiend Paar – Jan Steen, Collectie Stedelijk Museum de Lakenhal Leiden
Naast Baily en Dou, stond ook Jan Steen aan de wieg van het st. Lucasgilde in Leiden. Steen, die in 1626 ter wereld kwam in Leiden, is te boek komen te staan als een losbandig en platvloerse schilder. Het nog steeds gebruikte spreekwoord ‘een huishouden van Jan Steen’ staat nog steeds voor chaos en hectiek. Of dat helemaal terecht is, is nog maar de vraag. Jan Steen ging net als zijn beroemde tijdgenoot Rembrandt naar de Latijnse School en naar de universiteit. Steen stond ingeschreven als letterenstudent, maar studeren deed hij niet veel. Al snel legde hij zicht toe op het vak dat zijn vader ook had; hij werd bierbrouwer. Omdat het in de jaren ’40 van de 16e eeuw economisch tegen zat en er steeds minder bezoeker in de herberg kwamen, begon Steen met schilderen. Dat was dus een bijverdienste. Steen bleef echter niet in Leiden. In 1648 verruilde hij Leiden voor Den Haag, later ging hij naar Delft waar hij, inmiddels getrouwd met de dochter van Jan van Goyen, een herberg runde. Een ander spreekwoord, ‘leven in de brouwerij brengen’ hebben we ook aan Jan Steen te danken. Steen was naast schilder en bierbrouwer ook herbergier. Het gerucht ging dat Steen de grootste afnemer was van wijn dat hij in zijn herberg verkocht. Omdat de zaken niet zo goed gingen, sneerde zijn vrouw hem ooit toe dat hij bier moest gaan brouwen, iets waar in die tijd veel vraag naar was, om zodoende ‘wat leven in de brouwerij te brengen’. Steen kocht echter een paar vogels, stopte die in de ketel waar bier in gebrouwen werd waarna die vogels van angst door het dolle heen waren en alle kanten op vlogen. Het leverde zoveel reuring op dat Steen aan zijn vrouw vroeg of ‘dit voldoende leven in de brouwrij was?’. In 1658 keerde Steen terug in de Leidse regio. Hij vestigde zich in Warmond waar hij ook de meeste van zijn schilderijen schilder. In1670 keerde Steen terug naar Leiden en ging wonen op de hoek van de Langebrug en de Wolsteeg. Daar zit ook nog een gedenksteen in de muur gemetseld waarop staat dat Jan Steen, schilder van vooral alledaagse, soms iet was dubbelzinnige en zelfs erotische schilderen, hier woonde.

Misschien wel het allermooiste schilderij van Leiden! Gezicht op Leiden vanuit het noordoosten van Jan van Goyen. Collectie Stedelijk Museum de Lakenhal Leiden
De meest productieve schilder van deze tijd was Jan van Goyen. Hij produceerde meer dan 1000 schilderijen. Vanwege het hoge aanbod aan schilderijen waren de werken van Van Goyen relatief goedkoop. Het waren vooral landschappen die Van Goyen aan het doek toevertrouwde. Van Goyen, geboren in 1596, was afkomstig uit een welgesteld gezin dat woonde op de hoek van de Langebrug en de Schoolsteeg. Thans is er een naar Jan van Goyen vernoemd café gevestigd. In de muur van het café zit nog een gedenksteen waarop de naam van Van Goyen staat. Van Goyen trok er met zijn schetsboek regelmatig op uit om de omgeving van Leiden te schetsen. Niet zelden kwamen deze schetsen weer terug in zijn werk. Zo ook bij zijn (mijns inziens) mooiste werk namelijk Gezicht op Leiden uit 1650 dat hangt in de Lakenhal. Het schilderij toont de skyline van Leiden in de 17e eeuw waar de kerken nog dominant waren. Van Goyen paste wel een schilderstrucje toe. Om de kerken zo goed mogelijk te schilderen, schilderde hij ze uit een verschillend perspectief. Uit een verschillende richting. De Hooglandse Kerk schilderde hij uit het oosten om zodoende het hoge schip en niet het onafgebouwde deel (het lage deel) vast te leggen. De Pieterskerk schilderde hij vanuit noordelijk perspectief. Zodoende kwam het majestueuze schip het beste over. Van Goyen schilderde in totaal acht Leidse stadsgezichten. Opvallend genoeg deed hij dat na 1648 toen hij vertrokken was naar Den Haag.

Jan Lievens’ Pilatus wast zijn handen in Onschuld – Collectie Stedelijk Museum de Lakenhal
Ook Jan Lievens vertrok tijdens zijn carrière naar elders. De op 24 oktober 1607 in Leiden geboren Lievens ging net als zijn boezemvriend Rembrandt van Rijn in Amsterdam in de leer bij Pieter Lastman op dat moment een toonaangevende landschapssschilder. Op 12-jarige leeftijd vestigde hij zich als onafhankelijk schilder in Leiden. Jan Lievens wordt vaak in een adem genoemd met Rembrandt van Rijn. Het waren vrienden van elkaar maar deelden waarschijnlijk geen atelier met elkaar. Lievens had zijn atelier in de Weddesteeg op steenworp afstand van het huis van de familie van Rijn. Lievens was aanvankelijk populairder dan Rembrandt. Hij maakte een enorme indruk op zijn tijdgenoten waaronder Constantijn Huygens. Ook stadhouder Maurits van Oranje, zoon van de Vader des Vaderlands Willem van Oranje, was fan. Hij kocht meerdere schilderijen van Lievens. In 1631 als de vriendschap met Rembrandt verbroken is, vertrekt Lievens naar Engeland, vier jaar later naar Antwerpen en in 1644 definitief naar Amsterdam. Net als Rembrandt is Lievens een meester in het spel tussen licht en donker. Vooral op het portret van Constantijn Huygens dat Lievens rond 1628 schilderde is dat mooi te zien. Rembrandt en Lievens speelden een rol elkaars werk. Zo schilderde Lievens in 1629 het in het Rijksmuseum hangende portret van Rembrandt en deelden beide schilders dezelfde modellen. Rond 1630 scheidden echter de wegen. Dat was op het moment dat Rembrandt naar een ongekende hoogte steeg. Wie weet wilde Lievens niet in de schaduw staan van Rembrandt en vertrok hij daarom uit Leiden. Wie zal het zeggen?



