In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad? Deze week staat niet één maar een hele groep Leidenaren centraal namelijk de Poorters van Leiden. Dit waren de officiële ingezetenen van de stad die bepaalde rechten en plichten hadden.

De Morspoort in vroeger tijden – bron afbeelding – Collectie Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam
In de zestiende en zeventiende eeuw was Leiden een bruisende, snel groeiende stad. De bloei van de lakenindustrie, de komst van vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden en de stichting van de universiteit in 1575 zorgden voor een sterke bevolkingsgroei. Maar niet iedereen die binnen de stadsmuren woonde, hoorde automatisch bij de stad. Alleen wie officieel als poorter stond ingeschreven, gold als volwaardig bewoner van Leiden. Het woord poorter is, dat zal u niet verrassen, afgeleid van het woord poort. Poorten gaven in tot ver in de 19e eeuw toegang tot de stad. Leiden had meerdere poorten, waarvan er nog maar twee overeind staan: de Morspoort en de Zijlpoort. Poorter zijn betekende letterlijk dat je “binnen de poorten” hoorde. Het begrip komt al in de middeleeuwen voor en was in veel Nederlandse steden in gebruik, zo ook in Leiden. Een poorter was iemand die door het stadsbestuur was toegelaten en geregistreerd stond als inwoner van de stad. Poorter werd je pas na betaling van poortersgeld en het afleggen van een eed van trouw aan de stad.
Het poorterschap bracht rechten én plichten met zich mee. Poorters mochten een beroep uitoefenen binnen de stad, ze mochten lid worden van een Gilde, ze mochten handel drijven op de markt en gebruikmaken van stedelijke voorzieningen zoals armenzorg. In ruil daarvoor betaalden zij belasting, hielpen bij de verdediging van de stad en moesten zich houden aan stedelijke regels. Voor nieuwkomers, zoals ambachtslieden of kooplieden, was het verkrijgen van het poorterschap vaak een belangrijke stap naar sociale zekerheid. De vader van Rembrandt van Rijn, Harmen van Rijn, was Poorter in Leiden. Een van de rechten die hij bezat was het aanvoeren van een clubje inwoners van zijn wijk die de wacht hield. Dat deden ze overdag en ze deden dat ’s nachts: de dagwacht en de nachtwacht. Grote kans dat Rembrandt de inspiratie voor zijn beroemdste schilderij bij de nachtwacht van zijn vader in Leiden had opgedaan. Het mogen aanvoeren van een nacht- of dagwacht was dus een recht dat je als poorter had.
Niet iedereen binnen Leiden was poorter. Dienstboden, studenten, tijdelijke arbeiders en armen stonden vaak buiten het poortersregister. Zij woonden wel in de stad, maar hadden minder rechten. De poortersboeken, die in Leiden relatief goed bewaard zijn gebleven, vormen vandaag de dag een belangrijke bron voor historici en genealogen. Ze geven inzicht in migratie, beroepen en sociale verhoudingen in de vroegmoderne stad. Een grote groep blijft daar echter ongenoemd: de mensen die geen poorter waren, maar die wel een belangrijk onderdeel van de stad waren.

De verdwenen Hogewoerdspoort – bron afbeelding: verdwenenbouwwerken.nl
Het fenomeen poorter is nauw verbonden met de stadspoorten zelf. In de zestiende en zeventiende eeuw had Leiden namelijk veel meer poorten dan alleen de bekende Zijlpoort en Morspoort. Deze poorten fungeerden als controlepunten waar mensen en goederen de stad binnenkwamen. Hier werd toezicht gehouden, tol geheven en soms ook gecontroleerd wie zich in de stad mocht vestigen. Naast de nog bestaande Zijlpoort en Morspoort telde Leiden meerdere poorten die inmiddels zijn verdwenen. Sommige poorten verloren hun functie en verdwenen omdat de stad verder groeide. De Marepoort is daar een voorbeeld van. Toen Leiden in de 17e eeuw werd vergroot en er een nieuwe wijk ten noorden van de Oude Vest ontstond, verloor de Marepoort haar functie. Dat geldt ook voor de Oude Zijlpoort die aan het einde van de huidige Haarlemmerstraat bij de Haven stond. Toen Leiden in 1644 een stadsuitleg aan de noordoostkant kreeg, verloor de Oude Zijlpoort haar functie. Niet lang daarna verrees de nieuwe Zijlpoort zoals we die vandaag de dag nog kennen. Een andere bekende poort was de Koepoort die stond aan het einde van de huidige Doezastraat. Het was deze poort die volgens de legende het Ontzet van Leiden inluidde. In de avond van 2 oktober 1574 stortte deze poort namelijk met een hels kabaal in. De Spanjaarden vreesden dat het donderende geluid een uitval van de hongerige Leidenaren betekende en sloegen volgens op de vlucht. De Leidenaren vreesden echter een aanval van de Spanjaarden en dus sloten ze deuren en ramen en waagden ze zich niet meer op straat. De impasse werd doorbroken toen Cornelis Joppensz. in de vroege ochtend van 3 oktober 1574 de hutspot vond in een verlaten Lammenschans. Nogmaals, het is een legende. Feit is dat de Koepoort weldegelijk in de vroege avond van 2 oktober instortte. De Spanjaarden hadden echter al in de middag van legerleider Valdés het bevel gekregen om de schansen, inclusief de Lammenschans te verlaten. Het instorten van de Koepoort droeg dus weinig bij aan het vertrek van de Spanjaarden. Maar een mooi verhaal is het wel.

De verdwenen Marepoort, een poort die na de stadsuitleg in 17e eeuw overbodig werd. bron: verdwenenbouwwerken.nl
In de 19e eeuw verloren de stadspoorten en -muren hun militaire functie. De kanonnen werden simpelweg te zwaar voor de muren waardoor een bres eenvoudig te schieten was. De muren konden vijanden met zwaar geschud simpelweg niet meer tegenouden. In rap tempo werd zowel de muur als de vele Leidse stadspoorten afgebroken. Dit gebeurde ook om ruimte te maken voor zaken waar veel behoefte aan was in Leiden zoals begraafplaatsen en ziekenhuizen. Begraafplaats Groenesteeg bijvoorbeeld en het Academisch Ziekenhuis dat in het huidige pand van het Museum Volkenkunde gevestigd was. Toen de stadsmuren hun militaire functie verloren, verdween ook het formele onderscheid tussen poorters en niet-poorters. In de negentiende eeuw werd het poorterschap afgeschaft en maakte het plaats voor een modern begrip van burgerschap. Toch leeft het woord voort. In archieven, straatnamen en historische verhalen herinnert de poorter aan een tijd waarin stedelijke identiteit letterlijk werd bepaald door wie er door de poort naar binnen mocht en wie niet. En aan een tijd dat er een gradaties was in Leidenaren: poorter of geen poorter.



