“Zwijg Wijfshoofd”: De legende van mans hand boven.

“Zwijg Wijfshoofd”: De legende van mans hand boven.

In de wekelijkse column Leidenaar van Toen wordt een historische Leidenaar of een historisch figuur die iets met de Leidse geschiedenis te maken had, uitgelicht. Wie waren de personen die het verloop van de Leidse geschiedenis bepaald hebben? Waar liggen hun sporen in Leiden en wat hadden ze precies te maken met de stad. Deze week nummer staat een wat onbekendere Leidenaar van Toen centraal: Jan Barendszoon van Lent. Niets herrinnert in Leiden nog aan de tijd dat Jan in Leiden rondliep, behalve zijn hand. Die is hoog in de muur van het pand aan de Nieuwstraat 49 en 51 ingemetseld. Hierachter gaat een aardig verhaal schuil. Een verhaal zoals alleen een gevelteken dit kan vertellen.

Wie door de Nieuwstraat in Leiden loopt, kijkt waarschijnlijk niet twee keer naar het smalle zeventiende-eeuwse huis met de gevelsteen van een vrouwenhoofd en een uitgehouwen hand daarboven. Toch schuilt achter dit pand een van de bijzonderste stadsverhalen van Leiden. Eeuwenlang geloofden bewoners dat hier het bewijs te zien was van een ongelukkig huwelijk waarin een bazige vrouw en een gekrenkte echtgenoot elkaar via de gevel van hun huis de loef probeerden af te steken. Maar zoals zo vaak met oude volksverhalen blijkt de werkelijkheid veel ingewikkelder — en veel menselijker.

Het huis aan de Nieuwstraat 49 draagt sinds 1650 de naam ’t Wijfshooft. Onder het venster prijkt een gebeeldhouwd vrouwenportret; hogerop is een open mannenhand zichtbaar. Volgens de legende liet de vrouw des huizes haar eigen beeltenis aanbrengen om iedereen te laten zien wie er thuis de broek aan had. Met haar hoofd in de gevel moesten de mensen buiten wel kunnen zien dat zij werkelijk de baas was in huis. Zij is Jannetje de Roy, de jonge bakkersvrouw getrouwd met Jan Barendszoon van Lent. Haar echtgenoot zou zich vernederd hebben gevoeld en besloot daarom ver boven haar hoofd een mannenhand te laten plaatsen: een symbolische boodschap dat uiteindelijk tóch “mans hand boven” ging: “Het wijf wou vitten en beginnen ’t hair te kloven. Zwijg Wijfshooft! Sprak de, ’t zal blijven Mans hand boven”.

monumenten gevelstenen

Die uitleg werd in de achttiende eeuw al verteld. De Leidse schrijver Johannes le Francq van Berkhey beschreef het verhaal rond 1745 in kleurrijke dichtvorm. Daarin verschijnt een vrouw die niet alleen koppig is, maar ook vastbesloten haar wil door te drijven bij de bouw van een nieuw huis. Ze weigert uitbreiding van het pand, bepaalt de indeling en laat zelfs haar portret in de gevel aanbrengen. De echtgenoot zwijgt aanvankelijk, maar neemt uiteindelijk wraak door het huis hoger op te trekken en bovenaan een mannenhand te plaatsen. Het slot van het verhaal is veelzeggend: voortaan zou de vrouw minder vitten, omdat “mans hand” letterlijk te hoog zat om uit de muur te schuren.

Nieuwstraat 49

Voor moderne lezers klinkt het als een kluchtige sitcom uit de Gouden Eeuw. Maar achter de humor schuilt een interessant venster op de samenleving van toen. Het verhaal draait namelijk niet alleen om een huwelijk, maar vooral om macht, eer en publieke reputatie. In de zeventiende eeuw was het huis veel meer dan een privéplek. Een gevel vertelde wie je was, hoeveel geld je had en welke positie je innam in de stad. Huisnummers bestonden nauwelijks; huizen droegen namen en herkenningstekens. Een gevelsteen functioneerde tegelijk als visitekaartje, reclamebord en statussymbool. Dat verklaart waarom Leiden nog altijd bezaaid is met stenen waarop schepen, dieren, wapens of menselijke figuren staan afgebeeld.

Historisch onderzoek uit 1953 door A. Bicker Caarten en gemeentearchivaris M. van Roijen in de uitgave Leids Volksleven van de Vereniging Oud Leiden werpt echter een heel ander licht op de beroemde hand. Zij doken in eigendomsregisters, doopboeken en bouwgeschiedenis en kwamen uit bij een echte bewoner: bakker Jan Barendszoon van Lent. Hij kocht het pand in 1649 samen met zijn vrouw Jannetje de Roy. Het echtpaar had op dat moment al drie kleine kinderen.

En juist daar begint de legende te wringen.

De bronnen tonen namelijk geen dominante feeks uit het volksverhaal, maar een jonge moeder die vrijwel voortdurend zwanger was of voor kleine kinderen zorgde.  In de 17e eeuw kregen vrouwen doorgaans veel meer kinderen dan nu omdat het lang geen uitgemaakte zaak was dat een kind de 18 jaar zou halen laat staan het kraambed zou overleven. Terwijl latere generaties haar afschilderden als een tirannieke echtgenote die haar man overheerste, lijkt Jannetje de Roy vooral een druk bestaan te hebben geleid in een bakkersgezin aan de Nieuwe Rijn. Bovendien stierf Jan van Lent vermoedelijk al rond 1650 of 1651, kort nadat het huis was gebouwd. Zijn weduwe verkocht het pand niet lang daarna. Dit alles maakt een echtelijk ruzie met geveltekens als gevolg een stuk minder waarschijnlijk.

Waarom bleef het verhaal dan toch bestaan? Dat heeft veel te maken met de manier waarop mensen betekenis geven aan gebouwen. Een opvallende gevelsteen roept automatisch vragen op. Waarom staat daar een vrouwenhoofd? Waarom die hand? En zodra een verklaring eenmaal ontstaat, groeit zij met iedere generatie verder. Juist dat maakt de geschiedenis van ‘Mans hand boven’ zo fascinerend. Het verhaal zegt uiteindelijk misschien minder over Jan Barendszoon van Lent dan over de generaties Leidenaren die na hem kwamen. Zij zagen in één gevelsteen een spiegel van hun eigen opvattingen over huwelijk, gezag en mannelijkheid. De volgende keer dat u door de Nieuwstraat loopt, is het daarom de moeite waard even omhoog te kijken. Niet omdat daar werkelijk het bewijs hangt van een echtelijke machtsstrijd uit 1650, maar omdat die gevel laat zien hoe mensen al eeuwenlang betekenis zoeken in steen — en hoe een klein detail kan uitgroeien tot cultureel erfgoed.

===

Literatuur:

  • Panorama Leiden. Zicht vanaf de Burcht – George W.M. Gussenhoven (2000)
  • Geveltekens Leiden – Pancras van det Vlist (2007)

Artikelen

  • De legende van mans hand boven – Bicker Caarten en M. van Roijen In: Leids Volksleven Vereniging Oud Leiden (1953)
  • Mans hand boven – J. le Francq van Berkhey, in: Ernstige en boertige vertellingen mijner jeugd (1804)
Deel dit bericht:
Facebook
Twitter
LinkedIn
Pinterest
Telegram