De geschiedenis van Leiden is op Amsterdam na de rijkst gevulde geschiedenis van Holland. Toch is die geschiedenis lang niet altijd bekend. In de column Plaatsen van Herinnering neemt Leidenaar en historicus Joost Bleijie u wekelijks mee naar een plek in Leiden waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden of naar een plek waar een beroemde historische Leidenaar gewoond of gewerkt heeft. Deze week het eerste deel van een drieluik over de Leidse Hofjes. Deze bijzondere woonvorm die teruggaat naar de 17e eeuw kom je in veel Hollandse steden tegen. Met haar 35 hofjes spant Leiden de kroon en is met recht ‘Hofjeshoofdstad’ van Nederland te noemen.
-door Joost Bleijie
Wie door het centrum van Leiden wandelt, loopt vaak nietsvermoedend langs onopvallende poorten. Achter deze poorten gaan hofjes schuil: kleine wooncomplexen rond een binnentuin, meestal bedoeld voor oudere of alleenstaande bewoners. Leiden telt er 35 en samen vertellen ze een verhaal over armenzorg, religie en persoonlijke trots van de stichters. Maar waarom werden deze hofjes eigenlijk gesticht, en door wie?
Hofjes ontstonden vooral in de zestiende en zeventiende eeuw. Steden als Leiden groeiden snel, mede door handel en nijverheid. Omdat de stad groeide, nam de druk op armenzorg toe. Niet iedereen kon het tempo van Leiden bijbenen. De overheid speelde een kleine rol in de armenzorg; zorg voor armen, vooral oude dames, werd grotendeels gedragen door kerken en particuliere weldoeners. Deze laatste groep stichtte een hoop hofjes in Leiden. Ze boden huisvesting aan specifieke groepen, zoals arme weduwen, bejaarden of alleenstaande vrouwen, vaak gecombineerd met toezicht en morele orde.
De stichters van hofjes waren meestal welgestelde burgers: kooplieden, regenten, ambachtsmeesters of voormalige immigranten die het in de stad hadden gemaakt. Door een hofje te stichten konden zij hun rijkdom inzetten voor het algemeen nut, maar ook hun naam en reputatie veiligstellen. Konden ze met deze bijzondere vorm van liefdadigheid niet een plekje in de hemel kopen? Een hofje was letterlijk en figuurlijk een monument van liefdadigheid. Vaak werden in de stichtingsakte of testamenten strikte regels vastgelegd over wie er mocht wonen, hoe men zich diende te gedragen en hoe het hofje beheerd moest worden. Tevens werd beschreven welke preuven (liefdadigheid) de bewoners kregen.
Een sprekend Leids voorbeeld is Jean Pesijn, een uit Vlaanderen afkomstige koopman die zich in de zeventiende eeuw in Leiden vestigde. Zoals veel Zuid-Nederlandse vluchtelingen bracht hij kennis, kapitaal en handelsnetwerken mee. Pesijn had een succesvolle carrière maar een kinderloos huwelijk. Daarom besloot hij een deel van zijn vermogen te bestemmen voor een hofje: het Jean Pesijnhofje, gesticht in 1683. Het Jean Pesijnhofje was bedoeld voor arme, ongehuwde vrouwen van “goede naam en faam”. Daarmee laat het hofje zien hoe liefdadigheid en sociale controle hand in hand gingen. Bewoners kregen onderdak en een zekere mate van zekerheid, maar moesten voldoen aan morele en religieuze normen. Tegelijkertijd verzekerde Pesijn zich van blijvende herinnering: zijn naam leeft voort in de stad. Of hij ook een plekje in de hemel heeft gekregen is onbekend.



