De geschiedenis van Leiden is op Amsterdam na de rijkst gevulde geschiedenis van Holland. Toch is die geschiedenis lang niet altijd bekend. In de column Plaatsen van Herinnering neemt Leidenaar en historicus Joost Bleijie u wekelijks mee naar een plek in Leiden waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden of naar een plek waar een beroemde historische Leidenaar gewoond of gewerkt heeft. Deze week deel drie in een Zevenluik over de toptijd van de universiteit Leiden in de 17e eeuw. Het eerste chemische Laboratorium op Rapenburg 31 staat hierbij centraal, met bijzondere aandacht ook voor Sylvius die het initiatief nam.
–door Joost Bleijie
Aan het statige Rapenburg in Leiden is op nummer 31 een pand te vinden dat een bijzondere plaats inneemt in de geschiedenis van de wetenschap. Het pand werd in 1664 gebouwd in opdracht van Franciscus de le Boë Sylvius, beter bekend als Franciscus Sylvius (1614-1672). Naast zijn woonhuis was het ook zijn laboratorium. Het eerste academische chemische laboratorium van Europa. Sylvius was een pionier die de scheikunde een vaste plek gaf binnen het universitaire onderwijs aan de Universiteit Leiden.
In de 17e eeuw was “chymie” een discipline op het snijvlak van geneeskunde, alchemie en ambacht. Veel kennis werd overgedragen in werkplaatsen of via geheime recepten. Sylvius bracht daar verandering in. Hij was overtuigd van het belang van experiment en demonstratie. Als hoogleraar geneeskunde zag hij chemische processen als sleutel tot het begrijpen van het menselijk lichaam. Ziekte, zo stelde hij, kon worden verklaard door verstoringen in chemische evenwichten in het lichaam. Deze gedachte was revolutionair in die tijd. Om zijn studenten daadwerkelijk inzicht te geven in deze processen, liet Sylvius rond 1669 een speciaal laboratorium inrichten achter zijn woonhuis aan het Rapenburg. Voor het eerst kregen studenten een vaste plek waar zij chemische proeven konden zien en uitvoeren binnen een universitaire setting. Het laboratorium was uitgerust met ovens, destillatie-opstellingen en andere glazen instrumenten. Hier werden stoffen verhit, opgelost, gezuiverd en geanalyseerd – niet in het verborgene, maar als onderdeel van academisch onderwijs. Bovendien maakte Sylvius, naast hoogleraar ook arts (nieuwe) geneesmiddelen.
De oprichting van dit laboratorium markeert een belangrijk moment in de overgang van alchemie naar moderne chemie. Door experimenten centraal te stellen, droeg Sylvius bij aan een nieuwe wetenschappelijke cultuur waarin waarneming, herhaalbaarheid en systematische beschrijving essentieel werden. Chemie bestond al wel, maar wat chemie voor reactie had op het lichaam nog niet. Sylvius onderzocht het samen met zijn studenten, die uit binnen- en buitenland kwamen om zijn colleges en demonstraties bij te wonen. Er is weinig tastbaars van het laboratorium bewaard gebleven. De geest ervan leeft nog voor in Leiden. Het idee dat wetenschap niet alleen bestaat uit theorie, maar vooral ook uit doen, meten en testen, is vandaag de dag vanzelfsprekend in elk practicumlokaal. Dat dit principe zo vroeg al institutioneel werd verankerd, is mede te danken aan Sylvius’ visie. Rapenburg 31 is daarmee meer dan een adres. Het is een symbool van een kantelpunt in de wetenschapsgeschiedenis: Chemie trad uit de geheimzinnigheid en werd een academische discipline



