De geschiedenis van Leiden is op Amsterdam na de rijkst gevulde geschiedenis van Holland. Toch is die geschiedenis lang niet altijd bekend. In de column Plaatsen van Herinnering neemt Leidenaar en historicus Joost Bleijie u wekelijks mee naar een plek in Leiden waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden of naar een plek waar een beroemde historische Leidenaar gewoond of gewerkt heeft. Deze week deel drie in een Zevenluik over de toptijd van de universiteit Leiden in de 17e eeuw. Deze week staat de stedelijke rechtspraak centraal. Plaats van herinnering is ’t Gerecht, de Leidenaar van Toen is Arnold Vinnius, een van de juristen die van invloed is geweest op de ontwikkeling van de lokale rechtspraak.
Het is nu een stil en idyllisch pleintje midden in het oude centrum van Leiden. Vroeger was ’t Gerecht ook een plek die Leidenaren liever meden. Zo af en toe was het hier een drukte van jewelste, vooral als er strafvonnissen werden geveld. Het stedelijke rechtssysteem speelde zich grotendeels af in de openbare ruimte, waar bijzondere plekken zoals de Blauwe Steen, de Diefsteeg en ’t Gerecht een belangrijke rol speelden. Deze locaties waren niet slechts geografische aanduidingen, maar markeerden de kern van het juridische en sociale leven in de stad.
De Blauwe Steen, gelegen op het kruispunt van de Breestraat en omliggende stegen, fungeerde al vanaf de 14e eeuw als gerechtsplaats. Verdachten moesten hier staan om hun vonnis te horen, dat vanaf de nabijgelegen Roepstoel — een verhoging aan de gevel van het Stadhuis — publiekelijk werd afgeroepen. De steen vormde letterlijk en figuurlijk het middelpunt van lokale rechtspraak en symboliseerde het burgerlijk gezag. Vonnissen werden aanvankelijk op de Breestraat uitgevoerd, maar later verplaatste dit naar ’t Gerecht. Ook de smalle doorgang van de Breestraat naar ’t Gerecht speelde een belangrijke rol in de Leidse rechtspraak. Oorspronkelijk heette de steeg de Gravinnesteeg, maar door het frequente passeren van misdadigers werd de steeg al snel de Diefsteeg genoemd.
Op ’t Gerecht vonden het daadwerkelijke straffen plaats. Leiden kende, zoals veel steden in de Republiek, verschillende vormen van straf: Een (levenslange) verbanning, een lijfstraf (geseling of brandmerken) en de zwaarste straf: de Doodstraf. In het hele strafproces vertegenwoordigde de Schout het stadsbestuur. Hij bracht de aanklacht naar voren, terwijl de Schepenen het bewijs beoordeelden. Anders dan in moderne rechtspraak was er geen advocaat aanwezig: de verdachte moest vaak zelf antwoorden op vragen van de rechters. De doodstraf werd voltrokken door de beul. Deze kon op verschillende manieren worden uitgevoerd. Ophanging of onthoofding waren het meest voorkomend. Beulen kwamen vaak niet uit Leiden. Het zou natuurlijk een beetje gek zijn als je je voormalige buurman of vroegere buurtvriend moest onthoofden. Het voltrekken van vonnissen op ’t Gerecht was een hele happening waar veel mensen op af kwamen. Ook vaak veel kinderen. Zij moesten de voltrekking bekijken omdat men dacht dat hier een opvoedkundige waarde in zat. Kinderen moest je al snel gehoorzaamheid aanleren, zowel tegen ouders als de geldende regels.



