De geschiedenis van Leiden is op Amsterdam na de rijkst gevulde geschiedenis van Holland. Toch is die geschiedenis lang niet altijd bekend. In de column Plaatsen van Herinnering neemt Leidenaar en historicus Joost Bleijie u wekelijks mee naar een plek in Leiden waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden of naar een plek waar een beroemde historische Leidenaar gewoond of gewerkt heeft. Deze week staat een uit zijn voegen groeiende stad in de eerste helft van de 17e eeuw centraal. Leiden werd in 1611, 1644 en 1658 tot drie maar toe vergroot. Ten behoeve van de groeiende textielnijverheid werden de nodige Wevershuisjes gebouwd. Deze week zijn de Wevershuisjes in het ‘nieuwe Leiden’ daarom de Plaats van Herinnering.

Een Wevershuisje aan de Middelstegracht.
Na het ontzet van 1574 begon voor Leiden een periode van ongekende bloei. De stad werd het centrum van de lakenindustrie en trok duizenden arbeiders en vluchtelingen aan, vooral uit de Zuidelijke Nederlanden. Bovendien groeide ook de Universiteit in de 17e eeuw spectaculair. Binnen enkele decennia verdubbelde de bevolking. De middeleeuwse stad kon deze groei niet meer opvangen, waardoor grootschalige stadsuitbreidingen noodzakelijk werden. Eerst probeerde men de bevolkingsgroei op te lossen door lege plekken binnen de stad vol te bouwen. Daarom heeft Leiden bijvoorbeeld geen centraal plein: alle ruimte die er was werd volgebouwd. Rond 1600 was dat ‘verdichten’ niet langer voldoende. Daarom werd Leiden in de 17e eeuw in drie grote fasen uitgebreid: in 1611, 1644 en 1658.
De uitbreidingen vonden plaats aan de randen van de bestaande stad, binnen een nieuwe gordel van grachten en vestingwerken. In 1611 werd vooral de noordzijde aangepakt (Noordvest), later volgden uitbreidingen richting het oosten en zuiden, zoals de gebieden ten oosten van de Hooigracht en rond het Levendaal en de Waardgracht. Deze nieuwe wijken waren niet willekeurig opgezet. Ze werden planmatig aangelegd met rechte straten en grachten, een typisch kenmerk van de vroegmoderne stadsplanning. Bovendien hadden ze een duidelijk economisch doel: ruimte bieden aan de snelgroeiende lakennijverheid. De drijvende kracht achter deze stadsuitbreidingen speelde de landmeter en ontwerper Jan Pieterszoon. Dou, die een ambitieus uitbreidingsplan ontwierp met moderne vestingwerken en bolwerken. Zijn plan werd niet in één keer uitgevoerd, maar vormde wel de blauwdruk voor latere uitbreidingen in de 17e eeuw.
Als verdediging voor de nieuwe stad, verrezen er de nodige nieuwe stadspoorten zoals de Morspoort en Zijlpoort. De oude stadspoorten, zoals de Oude Marepoort, kwamen immers in de stad te liggen en verloren daardoor hun functie. Naast markante gebouwen zoals De Lakenhal, werd ‘de nieuwe stad’ gevuld met talloze arbeiderswoningen. Deze zogeheten wevershuisjes stonden dicht op elkaar, waren klein en waren direct verbonden met de groeiende textielnijverheid. Veel van deze wevershuisjes zijn er nog steeds. Op de Middelstegracht is van een van de Wevershuisjes een museum gemaakt. Rond 1670 waren de stadsuitbreidingen voltooid. Wat begon als een praktische oplossing voor bevolkingsgroei, groeide uit tot een stedenbouwkundig meesterwerk dat vandaag nog zichtbaar is in het Leidse stadsbeeld.



