De geschiedenis van Leiden is op Amsterdam na de rijkst gevulde geschiedenis van Holland. Toch is die geschiedenis lang niet altijd bekend. In de column Plaatsen van Herinnering neemt Leidenaar en historicus Joost Bleijie u wekelijks mee naar een plek in Leiden waar een bijzondere gebeurtenis heeft plaatsgevonden of naar een plek waar een beroemde historische Leidenaar gewoond of gewerkt heeft. Deze week zitten we in de Hollandse Gouden Eeuw (de 17e eeuw) en zien we hoe een aantal welgestelde families zowel het openbaar bestuur als de rechtspraak domineerde. Plaats van Herinnering: Het dak van Gravensteen, centraal staat Vrouwe Justitia.
–door Joost Bleijie
In de zeventiende eeuw – de tijd van de Gouden Eeuw – was Leiden een welvarende stad met een bloeiende textielindustrie en een jonge universiteit. Achter deze dynamiek ging een strak georganiseerd stadsbestuur schuil, dat tegelijk bestuurde, recht sprak en orde handhaafde. Dat bestuur bestond uit een kleine groep regenten, mannen uit de stedelijke elite die meerdere functies konden combineren. Aan de top van het dagelijkse bestuur stonden de burgemeesters. Zij waren verantwoordelijk voor de financiën, het toezicht op stedelijke instellingen (zoals weeshuizen en gasthuizen) en de uitvoering van besluiten. De burgemeesters vertegenwoordigden de stad ook naar buiten toe, bijvoorbeeld richting de Staten van Holland.
Boven en naast de burgemeesters stond de Vroedschap, het hart van de stedelijke macht, dat bestond uit een vaste groep regenten die voor het leven benoemd waren. De vroedschap- een soort gemeenteraad- bepaalde het beleid, stelde verordeningen vast en benoemde de belangrijkste functionarissen. In theorie was het een collectief bestuur, in de praktijk bleef de macht binnen een beperkt aantal invloedrijke families. Een van die families was Van der Does, nazaten van de bekende Jan van der Does.
Voor ordehandhaving en rechtspraak was de schout cruciaal. Hij was de vertegenwoordiger van het landsheerlijk gezag. In de 16e eeuw was dit de Spaanse koning, in de 17e eeuw waren dit de Staten van Holland. Hij leidde strafzaken, handhaafde de openbare orde en trad op als openbaar aanklager. De schout was dus geen neutrale rechter, maar eerder een combinatie van politiechef en officier van justitie. De schepenen vormden samen met de schout de schepenbank. Deze schepenen waren stedelijke bestuurders die ook als rechters fungeerden. Zij behandelden zowel civiele zaken (zoals conflicten over schulden of eigendom) als strafzaken. De rechterlijke macht in de stad was daarmee nauw verweven met het bestuur. Er was geen strikte scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zoals wij die nu kennen. De rechtspraak vond plaats in de zogenoemde Vierschaar, een symbolische ruimte waar het stadsrecht werd toegepast. Voor hoger beroep kon men zich wenden tot gewestelijke hoven, maar voor het dagelijks leven was het Leidse stadsbestuur bepalend. In het Leiden van de 17e eeuw was er een compacte en effectieve machtsstructuur waar een kleine club aanzienlijke families de stads bestuurde en rechtgesproken werd. Het was niet heel transparant en ook nauwelijks toegankelijk voor anderen. Maar het functioneerde best aardig.



